Inleiding
De houdbaarheid van een product lijkt een eenvoudig begrip maar bij nadere beschouwing blijkt er meer aan vast te zitten. Zo is er de houdbaarheid in de apotheek en de houdbaarheid bij de patiënt. De houdbaarheid in de apotheek hangt niet alleen af van het product, maar ook van de wijze waarop een product bereid, uitgevuld en opgeslagen wordt. Bij de houdbaarheid bij de patiënt speelt mee hoe en waar het product gebruikt wordt.
Voorbeelden
Een paar voorbeelden om de diversiteit in 'houdbaarheden' te onderstrepen: Bij oogdruppels is de bewaartermijn bij de patiënt meestal vast, één maand, ongeacht de bewaarcondities in de apotheek. Zetpillen kennen vaak een uiterste gebruiksdatum. Andere producten zoals bijvoorbeeld strooipoederbasis kennen een verkorte houdbaarheid in de apotheek nadat het product voor de eerste keer aangebroken wordt. Voor veel andere FNA preparaten is een totale houdbaarheid vastgesteld die arbitrair is onderverdeeld: tweederde is voor de apotheek, éénderde voor de patiënt.
Condities bij de patiënt en in de apotheek
Voor de patiënt is het volgende van belang:
- Hoe moet het product bewaard worden?
- Tot wanneer mag ik het dan gebruiken?
In de apotheek zijn de volgende elementen van belang:
- Welke verpakking wordt gebruikt?
- Bij welke temperatuur wordt het product opgeslagen?
- Wordt het product in de apotheek aangebroken of wordt het tijdens de bereiding in patiëntverpakkingen uitgevuld?
Meerdere verpakkingen
Soms worden producten in meerdere verpakkingen uitgevuld. Bij de bereiding van een crème bijvoorbeeld kan een deel direct in tubes uitgevuld worden en een deel in een voorraadpot (voor afwijkende hoeveelheden of voor gebruik als halfpreparaat in andere producten). Het zal duidelijk zijn dat de bewaartermijn van de tubes anders is dan die van de voorraadpot. Aan een CBV kan daarom meer dan één verpakking toegevoegd worden. Samen met de verpakking wordt de bewaartemperatuur vastgelegd. Deze combinatie moet per CBV uniek zijn. Dat betekent in het rijtje van verpakkingen bij een CBV dat één en dezelfde verpakking vaker voor mag komen, maar dan moet wel de temperatuur steeds verschillen. Andersom geldt hetzelfde.
Niet te gebruiken na
Voor elk product wordt altijd een uiterste gebruiksdatum vastgesteld. Deze datum wordt alleen gehaald wanneer het product zowel in de apotheek als bij de patiënt onder ideale omstandigheden bewaard wordt. In ProType is er, in analogie met levensmiddelen, voor gekozen de einddatum van de maximale bewaarperiode aan te geven met de term niet te gebruiken na. De maximale bewaarperiode wordt in ProType opgeslagen onder de korte naam NTGNPeriode. Dit zal meestal in maanden gebeuren.
De datum die achter niet te gebruiken na ingevuld wordt, is te berekenen door bij de bereidingsdatum de NTGNPeriode op te tellen. Wanneer een product bij de bereiding uitgevuld wordt in patiëntverpakkingen kan deze datum direct overgenomen worden op de patiëntverpakking. Extra aanwijzingen zoals een verkorte houdbaarheid bij de patiënt, wordt door het apotheeksysteem uit de G-Standaard gehaald en op het patiëntetiket gezet en vallen zoals gezegd buiten het werkterrein van ProType. Op deze manier kan een patiëntetiket als volgt geëtiketteerd worden:
Datum: 14/12/1999
Niet te gebruiken na: 14/06/2001
Na openen 3 maand houdbaar
Afwijkende houdbaarheid na aanbreken
Wanneer een product bij de bereiding niet direct in patiëntverpakkingen uitgevuld wordt maar bijvoorbeeld in een voorraadpot, kan er een verkorte houdbaarheidstermijn gelden. Op die manier kan een voorraadpot in de apotheek als volgt geëtiketteerd worden:
Datum: 21/03/1999
Niet te gebruiken na: 21/03/2002
Na aanbreken 6 maand houdbaar
Aanbreekdatum: ___/___/______
Deze periode kan bij elke verpakking apart worden vastgelegd, maar pas nadat de betreffende verpakking als voorraadverpakking gekenmerkt is.
Twee methodieken
Door de hierboven uitgelegde methodiek kan ProType ook nog steeds de oude methode gebruiken waarbij de totale houdbaarheid in tweeën gesplitst werd: tweederde van de termijn in de apotheek, éénderde van de termijn bij de patiënt. Bij deze methode gebruikt ProType de term af te leveren tot. Hierbij kan een product als volgt geëtiketteerd worden:
Datum: 06/09/1999
Af te leveren tot: 06/09/2001
Welke methodiek gebruikt wordt kan via Bestand → Voorkeuren ingesteld worden. Per CBV kan gekozen worden of de globale instelling gevolgd moet worden of kan een vaste instelling voor niet te gebruiken na of de af te leveren tot gebruikt worden. In alle gevallen wordt in het CBV alleen de totale houdbaarheidstermijn ingevuld. ProType rekent afhankelijk van de gekozen methodiek de juiste einddatum uit.
Opmerkingen
0 opmerkingen
U moet u aanmelden om een opmerking te plaatsen.